Elf september 2007. José Luis Rodriguez Zapatero, regeringsleider van Spanje, zegt in de vergadering van zijn socialistische kamerfractie: "In de Champions League van de wereldeconomie is Spanje de ploeg die de meeste wedstrijden wint, de meeste doelpunten scoort en de minste tegengoals krijgt."
Vijftien juni 2010. Elena Salgado, minister van economie, verklaart tegenover de kamercommissie voor economische en financiële zaken: "Spanje moet het vertrouwen van de financiële markten zien te winnen."
Als we aannemen dat de eerste bewering waar is en de tweede buiten kijf staat, hoe kan de Spaanse economie in amper drie jaar dan zo dramatisch zijn verslechterd? Of is er eigenlijk helemaal niet zo veel veranderd?
De Spaanse economie is betrekkelijk groot. Zij maakt negen procent uit van het Europese bruto binnenlands product (bbp) en twee procent van het wereldwijde bbp. Maar tegelijk is de Spaanse een zwakke economie. De totale schuldenlast - overheden, bedrijven, financiële instellingen en particulieren - bedraagt 400 procent van het bbp, oftewel viermaal de totale jaarlijkse productie. Bovendien wordt die productie gekenmerkt door een lage toegevoegde waarde en een sterke afhankelijkheid van het buitenland. Zo waren tijdens de gouden jaren van het afgelopen decennium de bouw, het toerisme, de autoindustrie en de horeca goed voor bijna 35 procent van het Spaanse bbp.
In korte tijd heeft Spanje een spectaculaire groei doorgemaakt. Als we het inkomen per hoofd in de Europese Unie van de vijftien op honderd stellen, dan klimt Spanje op van 64 in 1995 naar 83 in 2009. Dat oogt fraai, maar die groei is gebaseerd op een arbeidsintensief model met geringe kapitaalinvesteringen en een beroepsbevolking die òfwel onvoldoende òfwel overgekwalificeerd is; en dus niet adequaat voor veel van de taken zij moet verrichten. In dit licht is het niet verwonderlijk dat de nascholingsgraad van werknemers in het Spaanse bedrijfsleven met 22,6 procent (2005) tot de laagste in de EU-15 behoort.
Het voorspelbare resultaat hiervan is een uiterst lage productiviteit. Spanje had in het "gouden jaar" 2005 dezelfde arbeidsproductiviteit als Zweden en Oostenrijk in 1973. Goed, dat is dan de erfenis uit het verleden. Maar waar gaat het nu heen?
De Spaanse economie staat voor twee kolossale problemen. Ten eerste is dat haar interne zwakte en ten tweede de internationale situatie van verlamming die voor een afhankelijke economie als de Spaanse hard aankomt.
Om uiteenlopende redenen zijn de Spaanse financiële instellingen zo goed als gevrijwaard gebleven van besmetting met giftige activa als de subprime-hypotheken en derivaten als de credit default swaps. Maar het achterliggende probleem, dat van de gedevalueerde activa, gaat ook aan Spanje niet voorbij. De oorzaak ligt hier in de kredieten die verstrekt werden aan bouwbedrijven en projectontwikkelaars, een sector die nu vrijwel tot stilstand is gekomen. Een tweede oorzaak is de hoge hypotheekschuld van gezinnen en particulieren op een moment dat de werkloosheid is opgelopen tot boven de twintig procent. Kunnen de Spaanse financiële instellingen hun betalingsverplichtingen - 400 miljard euro tot eind 2012 - nakomen? Zullen zij ontvangen wat ze te goed hebben, 325 miljard alleen al van de bouwsector?
Begin dit jaar had Spanje een schuld van 195 miljard aan Franse financiële instellingen, 210 miljard aan Duitse en 100 miljard aan Britse banken. Daarnaast hadden diverse instellingen uit andere landen nog eens 425 miljard uitgeleend. De vraag is natuurlijk: Kan Spanje dit terugbetalen? Het antwoord heeft verstrekkende gevolgen. Als Spanje niet kan betalen, lopen de kredietverlenende instellingen een kolossale schade op. Om een idee te krijgen van de omvang kan Griekenland als voorbeeld dienen. De Griekse schuld bedraagt slechts 186 miljard en de interventie ter waarde van 110 miljard staat in het collectieve geheugen gegrift als een reusachtige reddingsoperatie.
Eigenlijk gaat de vraag veel verder. Zullen andere landen ook kunnen betalen wat zij verschuldigd zijn? Het Verenigd Koninkrijk heeft een schuld van 470 procent van zijn bbp, Japan 460 procent, Zuid-Korea 330 procent, Zwitserland, Frankrijk en de Verenigde Staten tegen de 300 procent en Duitsland 275 procent. Het probleem van vandaag is de totale wereldwijde schuldenberg, niet de staats- of de buitenlandse schuld. En deze schuldenlast is het gevolg van de manier waarop de wereldeconomie de afgelopen twintig jaar is gegroeid.
Ik denk dat de onlogische dollarkoers in de jaren 1980 niets anders was dan de ultieme uitdrukking van uitputting van het systeemmodel dat sinds 1950 heeft gefunctioneerd. Deze uitputting manifesteerde zich in de recessie van 1991 en werd te lijf gegaan op de enige manier waarop dit mogelijk was: de kredietmachine in werking zetten. Waar deze politiek toe heeft geleid, zien we nu om ons heen.
Tussen 1991 en 2007 is het internationale sociaal-economische systeem steeds verder afgegleden onder de schuldenlast. Tegelijk was het hyperkrediet het enige en laatste redmiddel om nog even te kunnen blijven groeien en het uitgeputte model nog een tijdje op de been te houden. In september 2007 luidde de uitbarsting van de subprime-crisis het begin in van een periode van aanhoudend verval, zij het met tijdelijke oplevingen als gevolg van de stroom aan reddingsoperaties en stimuleringsprogramma's die regeringen uit de hoed toverden. In totaal ging het om niet minder dan 29 procent van het bbp van de ontwikkelde landen, en dat allemaal voor niets. Erger nog, het heeft geleid tot onhoudbare overheidstekorten en onbetaalbare schulden die particulieren, financiële instellingen en staten in een wurggreep houden en een model verlammen dat niet in staat is oplossingen te vinden voor een volstrekt nieuwe problematiek. Bestaande recepten werken niet meer. Spanje is in dit verhaal niet meer dan een voorbeeld, het zoveelste ongeluk in een poel van buitensporige productiecapaciteit, excessieve schuldenlast en afhankelijkheid van krediet.
Het verval is onstuitbaar, een enkele kortstondige opleving verandert daar niets aan. Zoals ik uiteenzet in "De crash van 2010", zal het komende decennium de gemiddelde jaarlijkse groei van de wereldeconomie 1,0 tot 1,3 procent bedragen, met uiterste waarden van + 2,6 en - 0,5 procent. Zulke groeicijfers zullen in veel landen tot rampzalige gevolgen leiden. Wie weet dat de wereldeconomie tussen 1950 en 1973 groeide met gemiddeld vijf procent en de dertig jaar daarna met 3,5 procent per jaar, zal zich daarbij een voorstelling kunnen maken.
Ik herhaal daarom wat ik al sinds begin 2006 betoog. Het ergste moet nog komen, de crash in de tweede helft van 2010. In het huidige model is geen oplossing voorhanden. We staan op de drempel van een systeemcrisis, wat betekent dat het huidige model uitgeput is. Oplossingen zullen komen van een nieuw model, gebaseerd op doelmatigheid en op coördinatie tussen individuen. Dat is iets anders dan het individualisme zoals we dat nu kennen. En uiteraard zal de uitweg niet bestaan uit een ieder-voor-zich benadering waarin elk land zijn eigen weg gaat, maar uit nieuwe vormen van internationale economische samenwerking: een werkelijke, postglobale samenwerking.
Vertaling: Lex Rietman